
'Hersenscans tonen: jongens en meisjes moeten apart les'
NRC.NEXT
19 augustus 2013 maandag
Section: weten
Over de mogelijkheden van hersenscans wordt veel onzin beweerd. next.checkt geeft drie hersenonderzoekers deze zomer de ruimte om de fabeltjes te ontkrachten. Nienke van Atteveldt werkt als senior onderzoeker aan het Nederlands Herseninstituut (KNAW). Sandra van Aalderen is gepromoveerd in hersenonderzoek, heeft een onderwijsadviesbureau en bestudeert wetenschapseducatie aan de Universiteit Twente. Meike Grol ontwikkelde voor haar proefschrift computermodellen van hersenactiviteit en schrijft als journalist over het brein. Alle drie vragen ze zich af waarom de kloof tussen neurowetenschap en maatschappij zo groot is. In 2014 verschijnt hun boek over dit onderwerp bij uitgeverij Querido. Meer informatie op http://Kennislink.nl en   http://Breinbeelden.nl.
Aanleiding
Het vorig jaar verschenen rapport 'Jongens...aan de slag!' van het APS, het bureau dat de overheid adviseert over onderwijs, staat bol van beweringen dat jongenshersenen anders werken dan die van meisjes. En in het artikel 'Geef jongens en meisjes apart les' (Trouw, 2011) bepleit Wim Kuiper, voorzitter Besturenraad (christelijk onderwijs), dat jongens en meisjes gescheiden les moeten krijgen in bepaalde schoolvakken, zoals taal, waar jongens vaak een achterstand laten zien. Hij baseert zijn advies onder andere op hersenonderzoek, waaruit zou blijken dat ,,in de pubertijd jongens gemiddeld twee jaar achterlopen op meisjes in hun hersenontwikkeling". Is dat echt zo? En is de wetenschappelijke fundering solide genoeg om hen vervolgens uit elkaar te halen in de klas?
En, klopt het?
Het APS-rapport betoogt aangepast onderwijs vanwege ,,typisch jongensachtig gedrag" en haalt het brein vervolgens aan ter onderbouwing. Het jongensbrein zou bijvoorbeeld regelmatig in een ,,stopmodus" schieten, waardoor jongens slecht opletten. Dit klinkt alsof het brein af en toe ,,uitstaat", iets wat zeker niet het geval is. Dit soort beweringen blijkt het APS voornamelijk te halen uit boeken van Michael Gurian, een Amerikaanse bestsellerauteur. Gurian schrijft leuke boeken, maar uit zijn cv blijkt dat hij geen neurowetenschappelijke achtergrond heeft. Bovendien hoeven jongens-meisjesverschillen op Amerikaanse scholen niet dezelfde te zijn als die op Nederlandse.
Laten we die uitspraak over achterlopende jongensbreinen eens nader bekijken. Tijdens de hersenontwikkeling verandert zowel de hoeveelheid grijze stof, het buitenste laagje van ons brein waar de hersencellen contact maken met elkaar, als de hoeveelheid witte stof, gevormd door de verbinding tussen hersencellen. Tijdens de hersenontwikkeling neemt de hoeveelheid grijze stof eerst toe en daarna af, terwijl de hoeveelheid witte stof blijft toenemen. Dit betekent dat het brein efficiënter gaat werken - overbodige contacten worden geschrapt, terwijl de belangrijke verbindingen sneller worden. Diverse onderzoeken hebben laten zien dat het verloop van deze processen van persoon tot persoon verschilt.
In een onlangs gepubliceerde overzichtsstudie (in Biology of Sex Differences) benadrukken de auteurs de moeilijkheden bij het vergelijken van verschillende breinen. Een duidelijk verschil tussen mannen- en vrouwenbreinen is dat de eerste gemiddeld 10 procent groter zijn. Dit wordt grotendeels - maar niet volledig - verklaard doordat mannen nou eenmaal groter zijn, en hun breinen dus ook. Dit bemoeilijkt het onderzoeken van j/m-verschillen, omdat voor het verschil in volume gecorrigeerd moet worden. Zo'n correctie is niet eenduidig en kan leiden tot verkeerde interpretaties.
De duidelijkste resultaten, zeggen de auteurs, komen uit onderzoeken die kinderen volgen als ze ouder worden, longitudinaal onderzoek genoemd. Ze bekeken verschillende MRI-studies waarin anatomische structuren gemeten werden (niet te verwarren met functionele MRI, dat hersenactiviteit meet). Hun opmerkelijke conclusie was dat mannen- en vrouwenbreinen meer op elkaar lijken dan dat ze verschillen. Twee verschillen lijken wel robuust. Ten eerste piekt de hoeveelheid grijze stof eerder in meisjes, gemiddeld één tot drie jaar. Ten tweede groeit de witte stof harder in jongens. De bewering dat jongenshersenen ,,twee jaar achterlopen" op die van meisjes is dus kort door de bocht. De vroegere piek in grijze stof wijst misschien op een gemiddeld eerdere rijping in meisjes, de versnelde witte-stoftoename wijst juist op een ontwikkelingsvoorsprong voor jongens.
Om sekseverschillen in hersenontwikkeling te koppelen aan verschillen in gedrag en prestaties op school is meer onderzoek nodig. Bij voorkeur onderzoek dat bij dezelfde kinderen zowel veranderingen in het brein als in schoolvaardigheden volgt.
Verschillen in vaardigheden, zoals dat jongens in Nederland gemiddeld beter zijn in rekenen dan meisjes, worden ook bepaald door culturele factoren, legt Lydia Krabbendam, hoogleraar neuro-educatie aan de VU, uit in haar oratie. Een internationale vergelijkingsstudie uit 2010 laat zien dat jongens niet in alle landen beter zijn in rekenen, sterker nog, wereldwijd zijn jongens en meisjes gemiddeld even goed in wiskunde. Uit internationale studies blijkt dat er in Nederland behalve relatief grote prestatieverschillen, ook relatief sterke vooroordelen heersen over de vaardigheden van jongens en meisjes.
Conclusie
Er zijn kleine verschillen in gemiddelde hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Niet alle bevindingen wijzen op vroegrijpe meisjeshersenen. Ook is het niet duidelijk hoe de gevonden verschillen samenhangen met schoolprestatie, die ook afhankelijk is van sociaal-culturele factoren - zoals de heersende stereotypen. Door gebrek aan onderzoeksgegevens over het directe verband tussen verschillen in hersenontwikkeling enerzijds, en gedrag en vaardigheden op school anderzijds, beoordelen we de bewering dat 'hersenscans aantonen dat jongens en meisjes apart les moeten krijgen' dan ook als onwaar.
 
vinkjes-01
Wim Kuiper, voorzitter Besturenraad christelijk onderwijs, in Trouw.
 factcheck
